Mijn ouders woonden in bij mijn oma Heiërman-Kok in Zaandam. Dat was niet echt optimaal. Inwonen gaf dus een zeer beperkte vrijheid en weinig privacy. Het is dus niet vreemd dat mijn vader er alles aan deed om zelf een woning te krijgen voor zijn gezin. Vanwege zijn werk bij Fokker werd Nieuwer Amstel (nu Amstelveen) uiteindelijk de nieuwe woonplek.



Mijn moeder wilde aanvankelijk niet verhuizen. De band met haar moeder was zeer hecht, mede door het vroege overlijden van mijn opa. In het voorjaar van 1959 bracht de verhuiswagen ons naar de Dr. Kuyperlaan 37. Een bovenwoning, die de eerstvolgende 16 jaar mijn thuis zou zijn. Ik herinner mij nog goed dat er vlak na aankomst die eerste ochtend een draaiorgel door de straat reed. Dat was in die tijd nog heel gewoon. De orgelman belde dan bij iedereen aan om een bijdrage te vragen in zijn mans- of geldbakje.


Ik verhuisde in eerste instantie alleen met mijn vader. Omdat mijn vader naar zijn werk moest en ik voor het eerst naar de lagere school, trok mijn andere oma bij ons in om voor ons te zorgen. Alleen in het weekend ging ze even terug naar mijn opa. Een poosje later kwam mijn moeder alsnog naar Amstelveen. Een jaar later (1961) werd mijn broertje geboren.




In Amstelveen ging ik naar de Piet Heinschool, één van de oudste scholen van Nederland. De school bestaat overigens nog steeds. Meester Lohning was daar hoofd der school. Mijn eerste juf, in de toen nog eerste klas, was juf Nijland. Zij was net gestart en mijn vriendjes en ik vonden haar een lekker stuk. In de tweede en derde klas kwam ik bij juf Lohuizen in de klas. En beetje krengerig type waar ik minder op gesteld was. In de vierde klas volgde juf Lohman. Een onnatuurlijk bruin en afstandelijk wintersporttype met een sportwagen. Overigens waren alle drie de juffen vrijgezel en zijn dat voor zover ik weet hun hele leven gebleven. Dat zegt misschien ook iets over hun weinig kindvriendelijke karakters. In de vijfde en zesde klas volgde meester Meijer. In mijn herinnering niet alleen een verhalenverteller, maar ook een pesterig type. Hij had ooit aan iedereen gevraagd wat hij/zij wilde worden. Ik had daarop “meester” geantwoord. Nadat ik een keer straf had gekregen omdat ik met een balletje in de klas had gegooid, beloofde hij mij straf wanneer ik nog ooit zou durven zeggen dat ik meester wilde worden. Ik was bang voor de man. Vervolgens bleef hij anderhalf jaar lang aan mij vragen: “Weet je al wat je gaat worden?” Ik zei dan maar dat ik het niet wist. Samenvattend niet echt types waar ik warme herinneringen aan heb. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik daar besloot om zelf meester te worden en het allemaal beter te doen. Toen ik later mijn Pabo opleiding had afgerond, ben ik overigens even langsgegaan bij Meijer om hem nog eens onder de neus te wrijven dat ik toch meester was geworden. Ook van de Piet Heinschool heb ik een tegeltje bewaard.


Geschiedenis van Amstelveen
De naam Amstelveen wordt sinds 1964 gebruikt voor het gedeelte van Nieuwer-Amstel, dat na de annexaties van Amsterdam overbleef. Nieuwer-Amstel ontstond in 1278 en was daarvoor bekend onder de naam Aemstelle (ame + stelle = waterloop + hoge grond). Amsterdam kreeg in 1300 stadsrechten en scheidde zich zo af van het Amstelland. De eerste leenheer van Amstelland was Guy van Avesnes, die vanaf 1307 Bisschop van Utrecht werd. In 1342 kreeg Amsterdam voor het eerst een stuk van Nieuwer-Amstel, dat in 1387 werd uitgebreid.

Een plattelandsgemeente werd vroeger een ambacht genoemd. Amstelveen vormde als klein dorp de kern van het ambacht Nieuwer-Amstel. Nieuwer-Amstel had een ambachtsbestuur, bestaande uit schout en schepenen. Een schout was de benaming die men nu gebruikt voor burgemeester en een schepen voor wethouder. Het ambacht van Amstelveen werd in 1399 door Hertog Albrecht verkocht aan zijn neef Koen Cuser van Oosterwijk. Hij werd toen de eerste ambachtsheer van “Amstelreveen” en kreeg als ambachtsheer het recht om schout en schepenen aan te stellen.
De kerkelijke gemeente Nieuwer-Amstel ontstond toen men een nieuwe kerk (kapelletje) bouwde ten westen van de Amstel. De kerk bleef tot 1334 ondergeschikt aan een geestelijke in Ouderkerk. In 1447 mocht een pastoor een stukje Schiphol verkopen om een kerk op de plek van de huidige Dorpskerk te bouwen. (De huidige Dorpskerk is pas in 1866 gebouwd). Als er een kerk gesticht mocht worden, betekende dit dat in de wijde omtrek van de kerk de bevolking toenam. In 1580 werd deze eerste kerk als protestants aangemerkt. De katholieken gingen naar twee andere kerkjes, de bovenkerk en de benedenkerk.
Vanaf 1489 breidt Amsterdam zich verder uit zonder toestemming te vragen aan de omgeving. In 1529 worden de ambachtsheerlijkheden Nieuwer-Amstel, Sloten, Sloterdijk en Oostdorp (Osdorp) aan Amsterdam door de eigenaar verdobbeld of verkocht. In 1658 stopte Amsterdam voorlopig met annexeren. In 1795 werd Nieuwer-Amstel een gemeente. Vanaf 1895 werd een wetsvoorstel aangenomen dat op 1 januari 1896 het rijkste en grootste deel van Nieuwer-Amstel bij Amsterdam kwam. De bevolking daalde van 35.000 tot 5.500. Er kwamen dure gebouwen bij Amsterdam, onder andere het Concertgebouw en het huidige Gemeentearchief van Amsterdam. In 1920 werd opnieuw en voor het laatst Amsterdam uitgebreid tot aan de Kalfjeslaan.

Plaats een reactie